Een aanvraag voor SDE++-subsidie voor een project met een 30MW elektrische stoomboiler is afgewezen. De minister was niet overtuigd dat het project economisch haalbaar is. De aanvraag uit 2023 werd terecht afgewezen, oordeelt het College voor Beroep van het Bedrijfsleven.
De elektrische stoomboiler maakt deel uit van een stoomsysteem. Het stoomsysteem bestaat uit de stoomboiler, waarin stoom wordt geproduceerd, twee stoomcontainers waarin stoom wordt afgenomen voor ontsmetting van fust, steenwolmatten en twee stoom-warmtewisselaars, waarin stoom wordt afgenomen waarmee water wordt verwarmd voor verwarmingstoepassing. Door middel van de eerste stoom-warmtewisselaar wordt warmte geleverd ten behoeve van het verwarmen van een verwerkingshal. Met de tweede stoom-warmtewisselaar wordt warmte geleverd aan twaalf afnemers om kassen te verwarmen in een warmtenetwerk.
Subsidievoorwaarde verwarming niet gehaald
De minister heeft de aanvraag voor subsidie afgewezen, omdat niet is gebleken dat het verwarmingsdeel van het project een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde heeft van ten minste 100°C, zodat het niet voldoet aan een subsidievoorwaarde. Voor het overige deel van het project – het gebruik van stoom voor ontsmetting – is er sprake van een geringe stoomproductie, zodat de minister niet aannemelijk acht dat de realisatie van de productie-installatie economisch haalbaar is.
Waar de minister in de aanvraag een stoomsysteem en een verwarmingssysteem los van elkaar ziet, betwist de aanvrager dat. Dat de stoom (ook) wordt gebruikt voor de verwarming van water, maakt het systeem volgens de aanvrager nog geen verwarmingssysteem.
Daarbij wijst de aanvrager er ook op dat de aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde ten minste 100°C is in het stookseizoen. Over hoe die temperatuureis gelezen moet worden, verschillen beide partijen ook van mening. De rechter geeft de minister gelijk in de gekozen lezing van de regels. De aangevraagde categorie is bedoeld voor een hoge temperatuurtoepassing, vanaf 100°C. Hoewel de aanvrager zegt die temperatuur op enig moment tijdens het stookseizoen te halen, is dat voor de minister niet genoeg om aan de regels te voldoen.
De aanvrager diende aanvullende informatie hierover in, maar daarmee zijn de minister en de rechter alsnog niet overtuigd, zo blijkt uit de uitspraak van 21 april 2026. Uit de ontvangen informatie heeft de minister terecht afgeleid dat er geen sprake is van een aanvoertemperatuur van ten minste 100°C in het stookseizoen voor de verwerkingshal. Voor de stelling dat dit vereiste niet gedurende het gehele stookseizoen zou gelden, is in de regeling geen aanknopingspunt te vinden, constateert de rechter. Zelfs als de stelling dat de verwerkingshal de enige eerste gebruiker is, zou worden gevolgd, leidt dit niet tot een andere uitkomst, aldus de rechter. Over het feit dat de aanvoertemperatuur voor de glastuinbouwkassen lager is dan 100°C in het stookseizoen zijn beide partijen het met elkaar eens.