Bij de transitie in gewasbescherming naar zogenaamde 'laagrisicomiddelen' is het belangrijk dat ook het toelatingsproces versneld wordt. Daar wordt werk van gemaakt, ook in politiek Den Haag. In een brief aan de Tweede Kamer laat LNV-minister Adema, in reactie op een motie, weten dat voor 'laagrisicomiddelen' overleg is gevoerd om de toelating te versnellen.

"Hoewel er verschillende stappen zijn genomen - zowel in EU context als nationaal - om een versnelling en vereenvoudiging te realiseren, heeft de inspanning zich nog niet vertaald naar een substantiële toename van aanvragen en toelatingen van nieuwe laagrisico-middelen in Nederland", schrijft Adema.

De minister wijst erop dat 'de grootte van het aanbod van laagrisicomiddelen uiteindelijk afhankelijk is van de aanvragen die worden gedaan voor toelatingen van potentiële laagrisicomiddelen op de Nederlandse markt.' "De sectorpartijen hebben aangegeven zich hiervoor te blijven inzetten." Dat doen ze bijvoorbeeld binnen de projectgroep 'laagrisico impuls'. Daarin zijn overzichten opgesteld van (potentiële) laagrisicostoffen.

'Groene middelen'
De minister schrijft ook dat in het overleg is bepaald dat de term 'groene middelen' onduidelijk is en 'op verschillende manieren interpreteerbaar'. Het heeft de voorkeur om te spreken over in EU-context gedefinieerde categorieën, schrijft de minister.

1. Laagrisicomiddelen: bevat laagrisicostoffen, ongeacht de herkomst (chemischsynthetisch of biologisch)

2. biologische gewasbeschermingsmiddelen: bevat
stoffen van biologische herkomst waaronder micro-organismen, feromonen en plantenextracten of identiek daaraan geproduceerd. Veel stoffen van biologische herkomst worden na risicobeoordeling ingedeeld als een laagrisicostof.

Voorrang
In het Fonds Kleine Toepassingen, waarmee toelating voor kleine teelten van de broodnodige gewasbeschermingsmiddelen wordt geregeld met deels overheidsgeld, komt er ook voorrang voor laagrisicomiddelen.

Bron: Ministerie van LNV