"Het grootste zorgpunt blijft: wat sleep je allemaal binnen"

Nico Horn (EPPO) roept ook teler op fytosanitaire informatie te blijven delen

2020 is het Jaar van de Plantgezondheid. Een initiatief van de Verenigde Naties om iedereen ervan te doordringen dat plantgezondheid in ieders belang is en niet enkel iets waarmee de teler moeten zien te rooien. Nico Horn, directeur van de EPPO, belicht de ontwikkelingen, doet een oproep aan telers om vooral ook zelf fytosanitaire informatie te delen en wijst op de risico's van het internationale verkeer, ook voor de plantgezondheid. Dit alles in het nieuwste nummer van Buitenstebinnen.  

De European and Mediterranean Plant Protection Organization (EPPO) heeft sinds januari 2019 Horn aan het roer. EPPO is een groep van landen die samenwerken om de plantgezondheid te bewaken. Binnen EPPO zijn ook Noord-Afrikaanse landen, Israël, Rusland, Turkije en Oost-Europese landen vertegenwoordigd. EPPO schat risico’s in, volgt ontwikkelingen en waarschuwt en adviseert overheden, bijvoorbeeld momenteel veel over het Tomato brown rugose fruit virus (ToBRFV). EPPO maakt en beheert databases voor onder meer plantnamen, en fytosanitaire en gewasbeschermingsinformatie. 

Veertig procent van het voedsel gaat nu namelijk verloren door ziekten en plagen. En ook in de sierteelt bereiken veel producten de consument niet. Dat kan vast beter, is de stelling waarop Horn reageert in de uitgave van Naktuinbouw. 

Het vergt een betere ziektebeheersing op de velden en in de kassen. Zeker ook na de oogst. Maar het voorkomen van binnenbrengen en verspreiding van nieuwe ziekten en plagen is net zo belangrijk. Dat vraagt bij veel internationale handel om duidelijke en soms strenge regels, om zo grote schade te voorkomen. “De sterke toename van de internationale handel brengt duidelijk grotere risico’s met zich mee. Datzelfde geldt voor de verplaatsing van de productie naar bijvoorbeeld Afrika en Midden-Amerika. Daardoor komen er soms ziekten binnen die je helemaal niet had verwacht. Europa, met Nederland voorop, is een erg open economie. Dus hier merk je de effec-ten het sterkst”, aldus Horn.

Gesloten markten
Eigenlijk is de opstelling van Europa in de wereld vrij uniek. “De meeste landen zijn juist meer gesloten. Bij nieuwe handel moet je daar om markttoegang vragen. Er zijn zeker landen die dat ook doen om hun eigen producten te beschermen. Maar meestal om geen nieuwe ziekten binnen te halen. Daarmee beschermen ze hun eigen producten natuurlijk ook. De grens tussen die twee redenen voor importbelemmering is soms niet helemaal duidelijk”, vertelt Horn.

Een gevolg kan zijn dat handelaren elke partij extra moeten laten controleren, of strenge waarborgsystemen moeten hanteren. “De tendens is wel dat dit soort belemmeringen steeds beter wetenschappelijk onderbouwd moeten worden. Dat geldt zeker binnen de EU”, ziet hij.

Vanwege de toegenomen risico’s geldt sinds december de nieuwe Plantgezondheidsverordening van de EU. Horn verwacht als effect een betere bescherming tegen ziekten en plagen. Het plantenpaspoort, het importverbod voor bepaalde houtige gewassen, de nieuwe indeling in gevaarlijke organismen en een betere traceerbaarheid spelen daarbij een belangrijke rol.

“De uitdaging is: je moet risico’s wegnemen die je nog niet kent. Vandaar het importverbod voor bepaalde houtige gewassen. Deze gewassen hebben de hoogste onvoorspelbaarheid. Tot het risico per gewas en land van oorsprong duidelijk is, mogen houtige gewassen de EU niet in. Uiteindelijk moet je alle handelsstromen met de hoogste risico’s in beeld krijgen. Sommige kennen we. Grote bomen met een flinke kluit bijvoorbeeld vormen een groot risico”, zegt hij.

Succesvolle aanpak
De EPPO-directeur noemt zo een heel aantal plantenziektekundige maatregelen die goed uitpakten. “Voor pootaardappelen voert de EU al heel lang een beperkend beleid. Er mag niets binnenkomen uit andere landen, behalve Zwitserland. Dat werkte heel goed om nieuwe ziekten buiten de deur te houden. Ander voorbeeld: de vergaande maatregelen in Spanje en Portugal zorgden ervoor dat het dennenhoutaaltje niet uitgroeide tot een groter probleem. En in eigen land: de aanpak van de Aziatische boktor. Dit kostte veel geld, maar het is toch mooi gelukt om ‘m uit te roeien.”

Een uitdaging is om de Plantgezondheidsverordening in alle landen van de EU op dezelfde manier uit te voeren. In de praktijk blijkt dat ook landen die aan de EU grenzen of een belangrijke handelspartner zijn, zich min of meer voegen naar de EU-regels. Het gaat dan bijvoorbeeld om Zwitserland, Turkije, Noorwegen, Balkanlanden en Israël.

Daarnaast is de vraag hoe andere handelsblokken reageren. Bijvoor-beeld de Euraziatische Economische Unie met als grootste landen Rusland, Wit-Rusland en Kazachstan. Voordeel is dat deze landen ook lid zijn van EPPO. Zij volgen EPPO-bijeenkomsten en kennen de achtergronden van EU-regels. Dat geldt niet voor andere douane-unies, zoals Mercosur in Zuid-Amerika. Ook zij zijn bezig met gemeen-schappelijke systemen om insleep van ziekten en plagen te voorkomen.

Samen sterk
Horn maakt zich eigenlijk meer zorgen om twee andere uitdagingen: behoud van expertise en internationale samenwerking. “In Nederland zie je een vergrijzing onder de deskundigen; de toestroom van jongeren is te klein. EPPO start in het kader van het internationale jaar van de plantgezondheid een fonds voor een ‘fellowship’. Daarmee kunnen jonge mensen internationale ervaring opdoen. Dat is hard nodig.”

EPPO is voor de EU en de omliggende landen het belangrijkste platform voor internationale uitwisseling. De werkgevers van de vertegenwoordigers in EPPO moeten hun deelname dan wel goedkeuren. Daarnaast moet ook de nationale politiek het belang van plantgezondheid inzien. En de rol die uitwisseling van kennis daarbij speelt.

“Je ziet soms dat men kiest voor het nationale belang op de korte termijn. Maar in de EU moet je het samen zien te rooien. Je hebt gezamenlijke buitengrenzen en je moet op basis van risicoanalyse samen besluiten nemen. Positieve ontwikkelingen richting meer samenwerking zijn de referentielaboratoria en wetenschappelijk onderbouwde risico-analyses.” 

Kwetsbaarheid
Het grootste zorgpunt blijft: wat sleep je allemaal binnen. “De coronacrisis maakt duidelijk dat de landen met de meeste internationale reizen het meest zijn getroffen. Dat geldt op het gebied van plantenziekten ook”, zegt Horn. De NVWA maakt draaiboeken om voor-bereid te zijn op de meest gevreesde ziekten en plagen.

En toch gebeuren er onverwachte dingen. Een goed voorbeeld is de buxusmot. Dit insect doet in zijn herkomstregio niet zoveel kwaad, maar in Nederland wel. Zijn komst was in eerste instantie niet opgemerkt, zodat hij zich ongecontroleerd verspreidde.

Ondernemers ervaren nieuwe regels, bijvoorbeeld voor het plantenpaspoort, soms als een lastenverzwaring, denkt hij. “Maar de regels geven een betere bescherming en zeker ook kansen voor de Nederlandse land- en tuinbouw. Nederland is sterk in kwaliteitsbewaking en kwaliteitssystemen en heeft een goed systeem van keuringsdiensten. De bedrijven zijn er goed in om de kwaliteitseisen in te vullen.

Het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld verlaat binnenkort de EU. Zij wil de import van boomkwekerijproducten reguleren met kwaliteitssystemen. Daar kunnen Nederlandse bedrijven goed op inspelen.”

Risicobeheersing
Het kan ook betekenen dat je sommige dingen niet meer doet, geeft hij aan. “Bijvoorbeeld stekproductie in een land met lage lonen, op een bedrijf waar je geen zicht hebt op het risico van nieuwe ziekten en plagen. Je kiest dan voor lage lonen en hogere risico’s. De basisvraag moet eigenlijk zijn: wanneer maak je de kosten? Door wat duurder te produceren, maar op zeker te spelen? Of goedkoper produceren met de kans dat je eigen bedrijf en de sector veel schade oplopen?”

Bepaalde handelsstromen worden op den duur lastiger uit oogpunt van risicomijding. Zeker als het klimaat verandert. Dat geeft mogelijk extra risico’s en belemmeringen. Horn is ervan overtuigd dat de handel dan wel zijn weg vindt.

“De Nederlandse handelsgeest drijft op creativiteit. Dat zag je jaren geleden toen er een verbod op Acersuit China kwam. Vrij snel ontstond er toen handel uit Oost-Europa”, zegt hij.

Om de open economie in stand te houden, kan de overheid nog meer doen op fytosanitair gebied, zegt Horn. Meer toetsen en in een vroeg stadium gevaren opsporen. “En waar ik persoonlijk wel mogelijkheden zie, is dat je als overheid meer gebruikmaakt van de expertise van het bedrijfsleven. Er zitten nu onvoldoende stimulansen voor ondernemers in de verordening. Ze kunnen veel meer zelf doen. Je moet dan wel als overheid heel resoluut zijn in het bestraffen als mensen informatie achterhouden.”

Corona
De coronacrisis overheerst de afgelopen maanden. Horn vindt het lastig om te voorspellen wat de gevolgen zijn op het gebied van ziekten en plagen. Het virus heeft duidelijk laten zien dat internationalisering een prijs heeft. Dat geldt voor menselijke ziekten, maar net zo goed voor plantenziekten. “Maar de vraag is hoe iedereen zich na de crisis gedraagt. Gaan we minder reizen, is er minder internationale handel, wegen we milieueffecten van internationalisering meer mee? Of gaan we ‘terug naar het oude normaal’?”

Voor meer informatie:
Naktuinbouw
www.naktuinbouw.nl 
info@naktuinbouw.nl 


Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© BPnieuws.nl 2020

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven