Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven

U maakt gebruik van software die onze advertenties blokkeert (adblocker).

Omdat wij het nieuws gratis aanbieden zijn wij afhankelijk van banner-inkomsten. Schakel dus uw adblocker uit en herlaad de pagina om deze site te blijven gebruiken.
Bedankt!

Klik hier voor een uitleg over het uitzetten van uw adblocker.

Meld je nu aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief en blijf up-to-date met al het laatste nieuws!

Abonneren Ik ben al ingeschreven

Minder mensen werkzaam in land- en tuinbouw

Het totaal aantal regelmatig werkzame arbeidskrachten in de primaire land- en tuinbouw is in 2015 met 2,3% afgenomen tot bijna 186.000. Dat is minder dan de gemiddelde jaarlijkse krimp vanaf 2000 met 2,7%. Dat cijfer geldt zowel voor arbeidskrachten in als buiten het gezin. Van het totaal aantal arbeidskrachten behoorde in 2015 70% tot de gezinsarbeidskrachten.



In deze cijfers zijn de flexibele arbeidskrachten (uitzendkrachten en personeel met tijdelijke contracten) niet opgenomen. De vaste arbeidskrachten hebben meestal volledige jaarrondbanen, terwijl de inzet van flexibele arbeidskrachten met name in de vollegrondssectoren beperkt is tot de piekperioden. Hierdoor is de totale omvang van de flexibele arbeid lastig vast te stellen.



Meer arbeid van buiten het gezin
Een andere maat voor de werkgelegenheid is het arbeidsvolume, die de werkgelegenheid uitdrukt in voltijdbanen. Hiervoor wordt binnen de land- en tuinbouw de term arbeidsjaareenheid (aje) gebruikt. Een volledige jaarrondbaan staat dan gelijk aan één aje. In dit kengetal is wel een deel van de flexibele arbeid opgenomen. In 2015 is het arbeidsvolume met 1,8% gedaald tot ruim 156.000 aje (figuur 1), wat in de buurt ligt van de gemiddelde jaarlijks afname vanaf 2000 (-2%).
Het aandeel van de niet-gezinsarbeid (‘betaalde’) is toegenomen van 34% in 2000 tot 44% in 2015. Dat is vooral het gevolg van de ontwikkelingen in de minder grondgebonden sectoren, met name in de (glas)tuinbouw. De bedrijven in de meer grondgebonden sectoren steunen nog altijd voor het overgrote deel op de inzet van het gezin (‘onbetaald’).



Melkveehouderij veel gezinskrachten, glastuinbouw veel vreemde arbeid
De grootste arbeidsinzet wordt geleverd in de melkveehouderij, bijna 36.000 aje. Hiervan wordt 90% geleverd door gezinsarbeidskrachten. In de glastuinbouw is dat omgekeerd. Van de bijna 30.000 aje wordt slechts 14% van de inzet geleverd door gezinsarbeidskrachten. In de glastuinbouw wordt veel gebruik gemaakt van vaste vreemde arbeidskrachten en losse arbeidskrachten.



UWV: agrarische arbeidsmarkt nog altijd zeer ruim
De arbeidsmarkt voor agrarische beroepen is volgens UWV (juni 2016) al jarenlang zeer ruim, ofwel er zijn meer dan vier kortdurende werkzoekenden op één openstaande vacature. Daarmee is de concurrentie onder werkzoekenden het grootst in de land- en tuinbouw. Ondanks de zeer ruim arbeidsmarkt zijn er aanwijzingen dat in specifieke seizoenen ook tekorten optreden, zoals in de paddenstoelen- en bloembollenteelt.

Arbeidsbezetting per bedrijf neemt licht toe
Door schaalvergroting stijgt de arbeidsinzet per bedrijf, zij het beperkt: in de periode 2000-2015 steeg de inzet van 2,2 tot 2,4 arbeidsjaareenheden (aje) per bedrijf. Tussen de sectoren loopt de arbeidsbezetting uiteen van ruim 1 aje per bedrijf (bijvoorbeeld op akkerbouwbedrijven), ruim 2 aje (op melkveebedrijven) tot meer dan 11 aje per bedrijf op glastuinbouwbedrijven. In de laatste sector is de arbeidsbezetting vanaf 2000 bijna verdubbeld.



Arbeidsproductiviteit stijgt
Doordat de bedrijven in omvang toenemen, kan het werkproces (veelal) efficiënter worden ingericht. Daarnaast neemt door toenemende mechanisering en robotisering (denk bijvoorbeeld aan de melkrobot) de vraag naar arbeid af. In de melkveehouderij is de arbeidsproductiviteit in de periode 2000-2015 flink toegenomen: van 28,7 koeien per aje naar 43,2. Ook de bloembollensector kende een sterke toename van de arbeidsproductiviteit: van 2,7 ha per aje naar 4,7. In de akkerbouw is het minder hard gegaan; het aantal hectares per aje steeg van 21,5 in 2000 naar 22,8 in 2015.



Bron: Agrimatie 
Publicatiedatum: